Van alle mensen in mijn stamboom is mijn overgrootvader Jan Reinier Hendrik de Smidt zeker een van de meest interessante. Niet omdat zijn leven uitzonderlijk was in de grote geschiedenis, maar omdat het zo goed te reconstrueren valt uit documenten, herinneringen en familiefoto’s. Daardoor komt niet alleen hijzelf dichterbij, maar ook de wereld waarin hij leefde, een Zeeuws-Vlaamse samenleving waarin ambacht, handel, familie en reputatie sterk met elkaar verweven waren.
Hij werd geboren op 2 oktober 1870 in Terneuzen als het jongste kind van bakker Jan de Smidt en diens vrouw Jacoba Maria Jansen. Het was een groot gezin. In totaal waren er veertien broers en zussen, van wie er bij zijn geboorte nog negen in leven waren. Dat gegeven alleen al zegt iets over de tijd, over kindersterfte, over de vanzelfsprekendheid van verlies, en tegelijk over de veerkracht van gezinnen die ondanks alles doorgingen.
Bij zijn geboorte woog Jan Reinier Hendrik slechts drie pond. De baby werd in een broodmand met watten gelegd en warm gehouden bij de broodoven in de bakkerij. Volgens de overlevering schaamden zijn ouders, die overigens zeer gelovig waren, zich voor zijn kleine gestalte, vandaar dat niemand het kindje zag. Het is een verhaal dat je bijna als familielegende zou kunnen wegzetten, ware het niet dat het zo concreet verteld wordt en zo goed past bij een wereld waarin kwetsbaarheid meteen praktisch moest worden opgelost. Wonder boven wonder werd hij later een man met een lengte van bijna twee meter en een gewicht van ongeveer 150 kilogram. Dat contrast, van een bijna niet levensvatbare baby naar een opvallend grote volwassen man, is een van die details die in een familie lang blijven hangen.
Over Jan Reinier Hendrik gaat ook een anekdote die iets laat zien van zijn karakter en van de manier waarop men in de familie over hem sprak. Als jonge jongen was hij nogal verwend geweest, en dus ook ondeugend. Tante Tanneke was bijvoorbeeld dol op hem. Hij had een prachtige stem, men zei dat hij een tweede Caruso had kunnen worden als hij zangles had genomen. De directeur van de H.B.S. stelde meermaals voor dat Jan Reinier Hendrik in het zangkoor zou komen. Maar zijn antwoord was: “Tot de pauze zou het nog wel gaan, maar na de pauze zou ik het beneden gezelliger vinden.” Daar was namelijk het café. Het verhaal is op zichzelf licht van toon, maar het vertelt ook iets over sociale gewoonten, over talent dat niet per se een bestemming krijgt, en over een jonge man die zijn eigen prioriteiten had.
Net als zijn vader en zijn ooms Jacobus Thomas, die een bakkerij in Sas van Gent had, en Thomas Jacobus de Smidt, die naar de Verenigde Staten emigreerde, werd hij bakker. Later nam hij de bakkerij “De Tijd” van zijn ouders over om die voort te zetten. Hij beperkte zich niet tot het dagelijkse brood en banket, maar breidde het assortiment uit met catering. Dat klinkt modern, maar in feite gaat het om een bakker die ook als kok en organisator van diners bekend stond, iemand die niet alleen produceerde maar ook diensten leverde, en daarmee zijn positie in de lokale gemeenschap verstevigde.
Dat hij in Terneuzen een bekende figuur was, blijkt uit een passage over een wielerwedstrijd op een aprilzondag in 1890, georganiseerd door de wielrijdersclub van Terneuzen. Daarin wordt “bakker (de) Smidt” of “Pa Smidt” beschreven als een zeer bekwame brood en banketbakker en als kok in wijde kring bekend. Hij woonde jarenlang waar later bakkerij Kavelaars gevestigd was, en hij wist bij die wedstrijd “de gele truij te bemachtingen”. Het is een detail uit het lokale geheugen, opgetekend in Johan de Vries’ “Historie van het jongste verleden van Terneuzen” (mei 1967), maar het past in het beeld van iemand die zichtbaar was in het publieke leven, niet alleen achter de toonbank.
Op 13 oktober 1898 trouwde hij in Kruiningen met Maria Sara Visser, geboren in 1876 als dochter van Pieter Johannes Visser en Helena Cornelia van Arenthals. Samen kregen zij vijf kinderen: Jan, geboren en overleden in 1900, Helena Cornelia, geboren in 1901 en overleden in 1929, Jacoba Maria, geboren in 1903 en overleden in 1991, mijn grootvader Jan, geboren in 1905 en overleden in 1980, en Anna Jan Maria, geboren in 1911 en overleden in 1997. In die opsomming zit ook een stille lijn van verlies, met name het eerste kind dat niet bleef leven, en later Helena Cornelia die jong stierf. Het zijn feiten, maar in een gezin bepalen ze de toon, ook als men er weinig woorden aan vuil maakt.
Tussen 1906 en 1910 werd Jan Reinier Hendrik de Smidt als brandweerman vermeld. Wie dat leest met een hedendaags beeld van een beroepskorps, mist de achtergrond. Tot 1922 bestond de brandweer in Terneuzen nog niet uit vaste brandweerlieden. Brandweerlieden werden door loting uit alle mannelijke inwoners van 35 tot 50 jaar benoemd. Het was dus een burgerplicht, georganiseerd op een manier die past bij een kleine stad met beperkte middelen. Volgens het boek “400 jaar Terneuzen” moesten Jan Reinier Hendrik de Smidt en zijn collega Van Es tijdens een vuurshow een wijk met veel cafés controleren. Ze dronken zo veel dat Van Es viel en er een dokter moest worden ingeschakeld. Het is een episode die tegelijk komisch en veelzeggend is, omdat ze laat zien hoe dun de scheidslijn soms was tussen plicht en het sociale leven dat eromheen hing.
In dezelfde lokale geschiedschrijving komt hij terug als “Pa Smidt”. In “Historie van het jongste verleden van Terneuzen” beschrijft Johan de Vries de bakkerij “De Tijd” aan de Bakkerijstraat en merkt op dat De Smidt niet alleen door brood en banket bekendheid verwierf, maar ook als verzorger van diners. Hij was zo algemeen bekend als “Pa Smidt” dat zelfs een brief uit het buitenland, geadresseerd met alleen “Pa”, Terneuzen, prompt door de post bezorgd werd. Zulke zinnen zijn meer dan folklore. Ze wijzen op een tijd waarin reputatie, herkenbaarheid en sociale netwerken functioneerden als infrastructuur, soms even effectief als een officieel adres.
De gezondheid van Maria Sara Visser speelde een grote rol in het gezinsleven. Zij had maar één nier en moest daarom elke middag rusten. Daardoor moesten de twee oudste kinderen, Helena Cornelia en Jacoba Maria, na schooltijd meehelpen in de bakkerij. Het is een nuchtere constatering, maar ze maakt duidelijk hoe snel een huishouden toen op kinderen leunde wanneer een ouder beperkt was, en hoe werk en gezin nauwelijks gescheiden waren.
Toen haar gezondheid verder verslechterde, nam Jan Reinier Hendrik een ingrijpende beslissing. In 1913 verkocht hij de bakkerij en concentreerde hij zich volledig op het provianderen van zeeschepen en de handel in visserijproducten. Het gezin verhuisde naar Markt 5, een huis dat hij kocht ter vervanging van de woning op de hoek Noordstraat en Bakkerijstraat. Die stap lijkt zowel economisch als praktisch. De bakkerij was een zwaar bedrijf met vaste ritmes en fysieke arbeid. Proviandering en handel boden mogelijk meer flexibiliteit, en misschien ook een hogere marge, maar ze maakten het gezin tegelijk afhankelijker van scheepvaart en conjunctuur.
Die afhankelijkheid werd direct zichtbaar toen in 1914 de oorlog uitbrak. Door de oorlog viel de scheepvaart weg en daarmee hielden de verdiensten van het provianderen op. Voor het gezin De Smidt brak een moeilijke tijd aan. In zo’n zin zit vaak meer dan armoede alleen, want het gaat ook om onzekerheid, om het wegvallen van een vertrouwd bestaansmodel, en om de noodzaak om opnieuw routes te vinden die wel werken.
Op basis van een “Unbedenklichkeitsbescheinigung” van “der Kaiserlich Deutsche Vice Konsul” weten we dat hij al in 1916 over de grens met België, dat toen door de Duitsers bezet was, met vis en koffie handelde. Dat document is interessant omdat het laat zien hoe handel, zelfs in oorlogstijd, doorging via vergunningen en controle. Het wijst ook op ondernemerschap dat zich niet door grenzen liet stoppen, maar zich wel moest voegen naar de machtspolitiek van het moment.
Samen met zijn vrienden J.A. van Rompu en R.G.E. Nolson richtte hij nog voor het einde van de Eerste Wereldoorlog, in 1918, het bedrijf N.V. Vruchten en Groentendrogerij “Zeeuwsch Vlaanderen” op. Het kapitaal bedroeg 31.000 gulden. Dat is een bedrag dat suggereert dat de zaken tijdens de oorlog, ondanks de tegenslag in de scheepvaart, niet slecht kunnen zijn geweest, of dat men in elk geval voldoende vertrouwen had om te investeren. Het past bij een periode waarin voedselvoorziening en conservering strategisch belangrijk werden, en waarin drogerijen een logische stap waren in de keten van handel en verwerking.
Nolson was ook zijn partner bij het pachten van het Valputje bij Mauritsfort om vis te kweken. Ook dat is een vorm van denken in systemen: niet alleen handelen in wat er is, maar proberen de aanvoer te sturen en te vergroten. Het klinkt eenvoudig, maar het vraagt organisatie, kennis van lokale omstandigheden en vooral geduld, omdat zulke projecten niet meteen rendement opleveren.
Jan Reinier Hendrik de Smidt overleed na een lange, zware ziekte op 15 januari 1926. Daarmee eindigt zijn verhaal, maar niet zijn aanwezigheid in de familiegeschiedenis. Juist omdat er zoveel details bewaard zijn gebleven, van een broodmand bij de oven tot een brief die met alleen “Pa” bezorgd werd, blijft hij een persoon en geen naam in een register. Wat mij treft, is hoe zijn leven heen en weer bewoog tussen ambacht en handel, tussen lokale bekendheid en grensoverschrijdende praktijken, en hoe telkens weer de omstandigheden, gezondheid, oorlog, economie, hem dwongen tot aanpassing. Dat maakt hem, ook los van de anekdotes, tot een figuur die je serieus neemt.